Ontstaansredenen en profielschets
van
EVANGELISCHE LEEFGEMEENSCHAPPEN
IN NEDERLAND (1970-1995)

door drs. Gijs van den Brink en drs. Wim Dorsman  zie www.elim.nl

Het Westen bevindt zich in een enorme overgangsperiode. De ontwikkelingen op politiek en technisch gebied gaan razend snel. De christelijke gemeente is een randverschijnsel aan het worden in onze samenleving. Het instituut kerk verkeert in een identiteitscrisis. Terwijl het hoofd worstelt met deze kwesties ontstaat aan de voeten spontaan een nieuwe beweging die ook onder evangelische christenen sterk groeit.

Op tal van plaatsen zijn kleine gemeenschappen ontstaan die samen willen leven als Gods gezin. Het zijn christelijke gemeenschappen, waar plaats is voor een ieder die het in onze steeds afstandelijker wordende samenleving niet meer redt. Huizen waar men begrepen heeft dat 'kerkzijn' niet betekent het organiseren van activiteiten maar een manier van zijn, een levensstijl die aanstekelijk is voor anderen.

De toevoeging 'evangelische' in de titel wil zeggen dat het gemeenschappen uit een bepaald segment van het kerkelijk erf betreft, namelijk die gemeenschappen die zich kunnen vinden in de beginselverklaring van de Evangelische Alliantie (1). Dit betekent echter niet een vereenzelviging met een bepaalde denominatie. Er zijn 'gereformeerde' ,' hervormde' , 'katholieke' en 'charismatische' gemeenschappen onder.

Ontstaansredenen

Wat betreft de ontstaansredenen kunnen er drie genoemd worden: een geestelijke, een kerugmatische en een historische. Deze drie motieven bepalen tevens het karakter van de huidige evangelische leefgemeenschappen.

Geestelijk: de Heilige Geest

De geestelijke reden bestaat uit de bijzondere werking van de Heilige Geest in de christelijke gemeente, die leidt tot geloofsvernieuwing. We noemen dit verschijnsel 'opwekking' . Dit is begonnen met de uitstorting van de Geest op het Pinksterfeest in Jeruzalem, 53 dagen na de kruisiging van Christus. Hiermee werd de eerste vernieuwingsbeweging in de kerk een feit. Lucas meldt hierover in het boek Handelingen:



'En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden' (Handelingen 2:44, 45)



Dit heeft zich in de twintig eeuwen daarna vele keren herhaald in allerlei klooster- en hervormingsbewegingen.

Vervolgens zijn er twee meer directe ontstaansredenen.

Kerugmatisch accent op de kleine kring

De kerugmatische reden bestaat uit het benadrukken van de kleine kring, als antwoord op de enorme ontkerkelijking die sinds de jaren zestig onze landen overspoelt. Laten we dit illustreren aan de hand van een paar uitspraken van vooraanstaande kerkleiders.

De gereformeerde hoogleraar K.A. Schippers op een jaarvergadering van het landelijk verband van commissies van beheer:

'Een nieuwe opzetvan de kerkstructuur is niet alleen noodzakelijk om het proces van ontkerkelijking te stoppen, maar ook opdat de plaatselijke kerk in de toekomst financieel de eindjes aan elkaar kan blijven knopen. Ook het huidige formaat kerkgebouwen, symbool van de oude structuur, heeft zijn tijd gehad. Het is niet zo dat ik zeg: gaat heen en verkoopt al uw kerkgebouwen. Maar het kan ook in de huiskamer' (2).

De hervormde hoogleraar G.D.J. Dingemans op een vergadering van de classis Amsterdam:

'In de volgende eeuw wordt de kerk van onderop georganiseerd. De gemeente geeft heel dicht bij de mensen gestalte aan het Evangelie. Voor allerlei bureaucratie is dan geen geld meer beschikbaar. Ik denk dat we heel dichtbij de eerste christenen moeten gaan zitten. De kerk zal processen van schaalverkleining in gang moeten zetten'(3).

Een wereldwijd bekende Engelse missioloog is de Wereldraadveteraan Lesslie Newbigin. Zijn invalshoek is de westerse cultuur. Schrijvend over het jaar 2000 zegt hij:

'Ik hoop dat het komende decennium zal voorzien in een serieuze en krachtige poging om de nu wereldwijd dominerende westerse cultuur te confronteren met het evangelie. De meeste groei zal daar zijn, waar gewone gemeenten contact hebben met hun buren. Onze tijd wordt gekenmerkt door scepsis m.b.t. grote organisaties, hoewel of misschien zelfs omdat de omvang van deze organisaties nog steeds toeneemt. De meest levendige christelijke toewijding vindt men steeds meer in kleine groepen, basisgemeenschappen en huiskringen. Dit zal zich voortzetten'(4).

We mogen aannemen dat de Europese kerk van de toekomst zal bestaan uit kleine groepen, die maatschappelijk gezien een randverschijnsel vormen. Dit betekent voor de kerk in Europa terug naar het begin, naar de tijd van de apostel Paulus, toen de christenen nog in privé-huizen samen kwamen (5). De evangelische leefgemeenschappen en cel-groepen kunnen gezien worden als de eerste produkten van dit proces.

Historisch: het 19e eeuws zendingsgenootschap

Dan is er nog een derde ontstaansreden, die tevens verklaart waarom de evangelische gemeenschappen intentionele leefgemeenschappen zijn, waarbij het samenwonen niet alleen doel is, maar ook middel, m. a. w. woongemeenschappen met een doel dat uitgaat boven het samenwonen zelf.

De evangelische wereld kent vele parakerkelijke organisaties (6) Dit behoeft enige uitleg, want de parakerkelijke organisatie is geen synoniem van de christelijke organisatie in het algemeen (7). Het is een specifiek type christelijk instituut, dat is ontstaan uit het 19e eeuwse interkerkelijk zendingsgenootschap, dat onafhankelijk was van enige denominatie.

De periode van het 'zendingsgenootschap' wordt ingeluid door de Engelse schoenmaker en baptistenpredikant William Carey (8). Hij is de pionier van de nieuwe zendingsbeweging. Deze opleving valt samen met opwekkingen en oplevingen buiten de gevestigde kerken, die het begin van de 19e eeuw kenmerken. De kerkhistoricus Bakhuizen van den Brink concludeert dan ook dat 'de zending in de 19e eeuw een overwegend genootschappelijk karakter heeft' en dat het 'kenmerkend is voor de Europese organisaties gedurende de gehele 19e eeuw en tot diep in de 20e eeuw, dat zij van particuliere en niet van formeel kerkelijke oorsprong zijn' (9). Met name na W.O. II gingen deze genootschappen zich meer en meer ook op andere gebieden in eigen land toeleggen, zoals vorming, hulpverlening, vernieuwing en diaconaat.

Nu gaf het zendingsgenootschap vanaf het begin veel aandacht aan het gemeenschapsleven. Zendelingen woonden en werkten samen vanuit de zendingspost. Zo'n zendingspost was niet alleen een woon-werk-gemeenschap, maar een levensgemeenschap.

Dit idee nu leeft nog steeds sterk bij de huidige evangelische organisaties: niet alleen een werkgemeenschap zijn, maar samen staan voor één zaak. De meeste evangelische leefgemeenschappen zijn ontstaan rondom een bepaald werkproject. Het zijn dan ook intentionele leefgemeenschappen, die bovendien bijna uitsluitend een doelstelling huldigen, die het samen wonen zelf overstijgt. En het doel is altijd het dienen van Jezus Christus en de naaste, maar wel op het specifieke terrein, waarop men zich geroepen weet.

Netwerkvorming

In het najaar van 1988 werd binnen de evangelische leefgemeenschap Elim de visie geboren om iets voor het gemeenschapsleven in Nederland te gaan betekenen. Het eerste doel was om te onderzoeken hoeveel evangelische gemeenschappen er in Nederland bestonden. Het tweede dat direct daaraan gekoppeld werd, was nagaan of deze gemeenschappen belangstelling hadden om een netwerk te vormen. Wij vonden er toen ruim twintig.

In het voorjaar van 1989 werd de eerste landelijke ontmoetingsdag van evangelische basisgemeenschappen gehouden. Zo'n 130 mensen en 23 gemeenschappen namen deel. Dit is nu een jaarlijkse bijeenkomst.

Hiernaast bestaat er een werkgroep van leden van zeven gemeenschappen, een cursus voor belangstellenden en een tijdschrift, 'Samenleven' , met informatie over evangelisch gemeenschapsleven in binnen- en buitenland.

Wat wij doen is geen onderzoek op wetenschappelijke basis maar het voornaamste doel is om gemeenschappen met elkaar en met belangstellenden in contact te brengen en zo te stimuleren en te motiveren. Hiervoor worden ook gegevens over buitenlandse gemeenschappen verzameld. Een zusterorganisatie in Engeland, de National Association of Christian Communities and Networks, heeft bijvoorbeeld al 160 groepen en netwerken in hun adressengids en hierin zijn de meeste traditionele Anglicaanse en Rooms-katholieke gemeenschappen nog niet eens opgenomen (10). In 1986 beschreef Ingrid Reimer 75 Duitse, voor het merendeel evangelisch-Lutherse gemeenschappen (11).

Een profielschets

De kring van twintig gemeenschappen uit 1988 is uitgebreid tot 35 gemeenschappenin 1994. Het eerste dat opvalt is de diversiteit aan vormen en mogelijkheden; elke gemeenschap is weer anders en iedere gemeenschap geeft een eigen invulling aan de manier waarop zij gemeenschap wil zijn.

Slechts twee zijn er voor 1970 ontstaan, De Zendingsdiaconessen in 1936 en Oude Zijds 100 in 1965. Van 1970-1980 zijn er tien gestart, in de jaren 1981-1990 zien we een flinke toename met 17 nieuwe groepen en in de eerste vier jaren van de negentiger jaren vormen zich 8 groepen. Als je daar nog de pas gestarte en initiatiefgroepen aan toevoegt, zoals Stichting Armenzorg-De Burght te Utrecht of Filippus te Putten, kunnen we een duidelijk toenemende belangstelling voor gemeenschapsleven constateren.

Grootte en bewonerssamenstelling

Verreweg de meeste gemeenschappen zijn klein en bestaan uit één of meer gezinnen en enkele alleenstaanden. Enkele bestaan uit drie of meer alleenstaande jongeren of studenten (12). Dan zijn er nog enkele die groter zijn en bestaan uit 20 tot 40 personen met een gevarieerde samenstelling: gezinnen, alleenstaanden, zowel jongeren als ouderen, en één ouder gezinnen (13).

Een voorbeeld van een gemeenschap van alleen vrouwen is de Zendingsdiaconessen gemeenschap in Amerongen. Zij hebben gekozen om ongehuwd te blijven om zo God beter te kunnen dienen en voor hun naasten te kunnen zorgen. In evangelisch Nederland is dit echter een uitzondering.

Om de gemeenschappen heen vindt men doorgaans een kring van vrienden die zich wel betrokken voelen bij de gemeenschap, maar zich toch niet geheel willen verbinden.

Wat betreft sociale achtergronden vinden we alle lagen van de samenleving vertegenwoordigd, maar het merendeel is afkomstig uit de midden- en lagere sociale groepen.

Inspiratiebronnen

De inspiratie komt van twee kanten, een maatschappelijke en een bijbelse. De eerste vinden we bij de groepen die getroffen worden door een nood in de maatschappij. Deze zijn vaak projectmatig opgezet en voornamelijk gericht op het lenigen van de nood die hun voor ogen staat. De tweede bij groepen die hun bezieling vinden in de bijbel en in het leven van de eerste christenen. Hier gaat het vaak meer om een manier van leven dan om een project. De scheiding is in de praktijk nooit scherp te trekken maar het zijn wel twee uitgangsposities die steeds weer terugkeren.

Voorbeelden van de eerste groep zijn gemeenschappen die zich toeleggen op hulpverlening bijv. de woongroepen van Stichting Timon (14). Deze leefgroepen zijn opgezet om mensen die niet staande kunnen blijven in de maatschappij tijdelijk te ondersteunen en te helpen totdat ze zelf weer verder kunnen. In deze gemeenschappen wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen kernbewoners (-) de vaste groep (-) en medebewoners: de tijdelijke gasten. Bij groepen die zich in de eerste plaats laten inspireren door de bijbel wordt minder nadruk gelegd op het onderscheid tussen gasten en vaste bewoners. Voorbeelden zijn de Terebint in den Hulst en De Schutsluis in Wemeldinge (15).

Vaak werkt het voorbeeld van een buitenlandse gemeenschap erg inspirerend zoals bijv. de Jezusbeweging van de zeventiger jaren uit Californië (16), de gemeenschappen van de Redeemer Church in Houston USA waar zo'n 15 jaar geleden een boek over verscheen (17). Een ander voorbeeld is de oecumenische gemeenschap Taizé in Frankrijk, waardoor dominee Boiten van de Oude Zijds 100 gemeenschap in Amsterdam geinspireerd werd (18).

Doelstellingen

Praktisch alle gemeenschappen hebben een doelstelling. De motivatie om een gemeenschap te vormen is vaak het besef dat je alleen niet diegene kan zijn voor anderen die je graag zou willen zijn. Bijvoorbeeld een gezinssituatie bieden voor eenzamen of voor mensen met een bepaalde hulpvraag.

Veel gemeenschappen hebben hulpverlening als doelstelling, de reden hiervoor is niet zo moeilijk. In onze maatschappij moet het type gemeenschap steeds meer wijken voor het type organisatie. Dit betekent een verlies aan menselijke warmte en intimiteit. Zodoende is eenzaamheid misschien wel de belangrijkste oorzaak van problemen geworden. Niet alleen alleenstaanden raakt dit, ook het moderne kerngezin kan behoorlijk geïsoleerd raken.

Een leefgemeenschap van christenen kan de gemeenschapswaarden van het gezin ondersteunen en bewaren in onze ingewikkelde en afstandelijke samenleving. Het is ook een leefverband van waaruit of waarin mensen geholpen kunnen worden op een persoonlijke en vrienschappelijke wijze. Zij is minder kwetsbaar dan een gezin, omdat zij uit meer leden bestaat. De draagkracht is groter, zodat er bv. steeds iemand thuis kan zijn.

Enkele vormen van hulpverlening zijn:

1. ' Open huis zijn gastvrijheid' .

* Toeleggen op bereikbaarheid, bv. door de afspraak dat er altijd iemand thuis is voor gasten, 24 uur per dag en dat 365 dagen per jaar, incl. vakanties.

* Toeleggen op gastvrijheid: een goede buur zijn, mensen kunnen altijd op de koffie of de thee komen.

2. Onderdak verlenen.

* Tijdelijk onderdak verlenen bij acute situaties van dakloosheid, bv. bij een echtscheiding of jongeren die door een problematische thuissituatie er een tijdje uit moeten.

3. Begeleiding

* Omgang met mensen die voor een tijdje of zelfs voorgoed in de gemeenschap komen wonen, omdat ze niet zelfstandig kunnen wonen, maar dit mogelijk in de toekomst wel willen. Bv iemand die uit een opvangcentrum komt of iemand die door een conflictsituatie in het gezin of het werk in moeilijkheden is gekomen.

Een andere doelstelling die veel voorkomt is te leven naar wat je gelooft. Het samenleven wordt dan gezien als een nieuwe leefwijze waarbij geloven, leven en werken weer een eenheid zijn zoals ook bij de eerste christenen het geval was. Het gaat dan om een een voorbeeldsamenleving. Omdat de Nederlandse gemeenschappen erg klein zijn, is daar concreet nog niet zoveel van te zien.

In Engeland zijn verschillende gemeenschappen die groter zijn. De Hutterse broederschap (Hutterieten) te Robertsbridge telt zo'n 300 leden. Zij hebben hun eigen bedrijf, eigen kerk en eigen basisschool. In Duitsland en Amerika zijn nog negen gemeenschappen bij deze beweging aangesloten (19). Bij zo'n omvang wordt er alweer meer zichtbaar van een alternatieve samenleving. Er zijn hier altijd gasten en logées aanwezig die ook meewerken in de werkplaatsen van de gemeenschap. Nederlandse woon/werkgemeenschappen waar een kerkelijke gemeente aan verbonden is zijn o.a Elim te Doorn en Huis ter Duin te Petten (20).

Naast de naar buiten gerichte doelstellingen is altijd het besef aanwezig dat het gemeenschapsleven jezelf verrijkt en vormt. Jean Vanier, een Fransman die in 1963 de eerste L'Arche gemeenschap begon, waar men samenleeft met geestelijk gehandicapten, heeft hier enkele inspirerende boeken over geschreven (21). In verschillende gemeenschappen worden op bezinningsavonden teksten van Jean Vanier gelezen en besproken. Uit de eerste gemeenschap van Jean Vanier, zijn inmiddels overal op de wereld een kleine honderd gemeenschappen ontstaan waar mensen voor kortere of langere tijd samenleven met geestelijk gehandicapten.

Huisvesting

Opvallend is dat vrijwel alle gemeenschappen onderdak hebben gevonden in bestaande panden. Terwijl Centraal Wonen en Groepswonen voor ouderen bijna geheel op nieuwbouw zijn aangewezen, zoeken evangelische groepen bestaande gebouwen en maken die geschikt voor groepswonen. Dit kan bijv. een gemeentehuis zijn, een grote villa, een huizenblok in een binnenstad of een vroeger vakantieoord. De verbouwing wordt zoveel mogelijk zelf ter hand genomen en draagt zo gelijk bij tot de groepsvorming.

Een mogelijke reden hiervoor is dat er op deze manier snel gestart kan worden zonder het langdurige traject van toewijzing, planning en bouwfase te hoeven afleggen. Ook het feit dat groepen het pand vaak zelf beheren geeft aan dat de groepen streven naar een zo groot mogelijke onafhankelijkheid van instanties. Meestal is het pand eigendom van een stichting die door de gemeenschap is opgericht. Hierin hebben of alleen leden van de gemeenschap zitting of er zijn ook externe deskundigen bij betrokken die waken over de goede gang van zaken in de gemeenschap.

Stabiliteit

De groepen die wij kennen zijn redelijk stabiel. Sinds 1988 zijn er slechts vier opgeheven. Sommigen zijn nu nog steeds met dezelfde bezetting als in het begin. Veel gemeenschappen maken wel een sterke ontwikkeling door. Zo zijn de gemeenschappen die uit de Jezusbeweging van de zeventiger jaren stammen geleidelijk veranderd van groepen waar weinig structuur aanwezig was tot gemeenschappen die goed weten wat zij willen en daar hun vorm bij hebben aangepast. Het aantal bewoners is in de meeste gemeenschappen redelijk stabiel. De meeste gemeenschappen zijn ook niet sterk gericht op groei in aantal. Een uitzondering is de Leitourgia Communiteit te Breda, die vanaf 1983 uitgroeide van een open gezin tot een oecumenische open kloostergemeenschap met 44 leden.

.© LFG   30-08-2004  .HOME.   MENU.
Hit Counter